
Nationaal Monument Jeugdzorg ‘De Erkenning'
Luister hier naar de transcriptie
In de geschiedschrijving van Nederland is geweld in de jeugdhulp lang een onbesproken onderwerp geweest. Zelfs toen vanaf 1970 de verhalen los kwamen, gebeurde er nauwelijks iets. Geweld werd afgedaan als een incident.
Pas vanaf 2010 nemen verschillende onderzoekscommissies de aanhoudende verhalen van slachtoffers serieus. Daarmee treedt een ongekende en afschrikwekkende werkelijkheid voor het voetlicht.
De geschiedenis van de zorg voor jongeren blijkt ook een geschiedenis te zijn geweest van institutionele vernedering, seksueel misbruik en onvoorstelbare vormen van fysiek en mentaal machtsmisbruik. Een geschiedenis van geweld waar levens van vele tienduizenden mensen levenslang door getekend zijn. Omdat niemand hen geloofde, hebben velen gezwegen.
Dit monument is een erkenning van het leed dat vaak onvoorstelbaar was. Het geeft de vele tienduizenden kinderen alsnog een stem. Het monument staat stil bij het onrecht en het verdriet in een geschiedenis die veel te lang is verzwegen en weggemoffeld. Vanaf nu kan onwetendheid niet langer als excuus gelden.
Het zijn verhalen die echt je ziel raken. In het begin dacht ik, dat kan echt niet dat dat in Nederland is gebeurd. Maar als je het zo vaak hoort, dan raak je ervan overtuigd dat dit allemaal echt aan de hand is geweest.

Wie niet luisteren wil, moet voelen
Door ziekte, epidemieën, armoede en oorlogen raakten veel kinderen in vroeger tijden hun ouders kwijt. Ze werden opgenomen in weeshuizen, vaak aparte voor jongens en meisjes. Weeshuizen waren in elke stad van enige omvang te vinden. De vele honderden tehuizen werden bestuurd door plaatselijke regenten, vooraanstaande burgers die toezagen op een ordelijke gang van zaken.
Als vanaf 1800 de bevolking van de steden snel begint te groeien, ontstaan er naast de weeshuizen ook gestichten voor ‘verwaarloosde’ jongeren. Ouders maken in fabrieken voor een hongerloon werkdagen van meer dan twaalf uur. Tijd voor opvoeden ontbreekt en in de overvolle volksbuurten vormen verwaarloosde en thuisloze kinderen een groeiend probleem.
Zij worden opgevangen in gestichten en internaten, die vooral opgericht worden op initiatief van christelijke instanties. Het eerste Nederlandse internaat ontstaat in 1845: het Sint Aloysiusgesticht in Amsterdam. Snel volgen er meer, vaak gelegen in dun bevolkte gebieden. Sommige zijn uitgegroeid tot complete landbouwkolonies, waar honderden kinderen lange werkdagen maken in werkplaatsen en op het land.
Voor alle tehuizen geldt: kinderen moeten zich gehoorzaam en gedisciplineerd gedragen. Wangedrag kent in de meeste gevallen maar één antwoord: straf. Opsluiting, stokslagen, lijfstraffen - voor veel kinderen is dit dagelijkse kost. Wie niet wil luisteren, moet voelen. Alle vormen van geweld zijn vanzelfsprekend, maar daarom niet minder pijnlijk en vernederend.
‘De klappen vond ik niet zo erg, je wist in die tijd niet beter. De vernederingen in het kindertehuis vond ik veel erger. Ik plaste vaak in bed. Je moest dan met je natte beddengoed over de slaapzaal lopen terwijl de andere jongens ‘viezerik, viezerik!’ naar je moesten schreeuwen. Als je niet schreeuwde kreeg je straf. Je werd behandeld als uitschot, als tuig. Hoe vaak ik niet verteld ben dat ik slecht of dom was, hoe ik later zeker in de goot terecht zou komen... Dat doet wat met je hoor, als jochie van negen jaar.’

Kinderen als verdienmodel
Door ziekte, epidemieën, armoede en oorlogen raakten veel kinderen in vroeger tijden hun ouders kwijt. Ze werden opgenomen in weeshuizen, vaak aparte voor jongens en meisjes. Weeshuizen waren in elke stad van enige omvang te vinden. De vele honderden tehuizen werden bestuurd door plaatselijke regenten, vooraanstaande burgers die toezagen op een ordelijke gang van zaken.
Als vanaf 1800 de bevolking van de steden snel begint te groeien, ontstaan er naast de weeshuizen ook gestichten voor ‘verwaarloosde’ jongeren. Ouders maken in fabrieken voor een hongerloon werkdagen van meer dan twaalf uur. Tijd voor opvoeden ontbreekt en in de overvolle volksbuurten vormen verwaarloosde en thuisloze kinderen een groeiend probleem.
Zij worden opgevangen in gestichten en internaten, die vooral opgericht worden op initiatief van christelijke instanties. Het eerste Nederlandse internaat ontstaat in 1845: het Sint Aloysiusgesticht in Amsterdam. Snel volgen er meer, vaak gelegen in dun bevolkte gebieden. Sommige zijn uitgegroeid tot complete landbouwkolonies, waar honderden kinderen lange werkdagen maken in werkplaatsen en op het land.
Voor alle tehuizen geldt: kinderen moeten zich gehoorzaam en gedisciplineerd gedragen. Wangedrag kent in de meeste gevallen maar één antwoord: straf. Opsluiting, stokslagen, lijfstraffen - voor veel kinderen is dit dagelijkse kost. Wie niet wil luisteren, moet voelen. Alle vormen van geweld zijn vanzelfsprekend, maar daarom niet minder pijnlijk en vernederend.
Van oudsher werden kinderen die hun ouders verloren opgevangen door naaste familieleden. Alleen als die daartoe niet in staat waren of niet wilden, volgde opvang in een weeshuis. Vanaf ongeveer 1850 ontstaat de opvatting dat deze kinderen beter af zijn in gezinnen. In 1874 wordt daartoe de Maatschappij tot Opvoeding van Weezen in het Huisgezin opgericht, met als doel kinderen onder te brengen bij geselecteerde gezinnen, waarop ook toezicht moest worden gehouden.
In veel opzichten was de geborgenheid van het gezin een verbetering ten opzichte van de militaristische grootschaligheid van gestichten, waar vaak honderden kinderen opeen waren gedreven. Maar het kwam regelmatig voor dat volwassenen zich over weeskinderen ontfermden met minder nobele motieven. Pleegkinderen werden gebruikt als gratis arbeidskracht of dienstbaar hulpje in het huishouden. Vaak was de financiële vergoeding belangrijker dan het kind.
Het toezicht stelde weinig voor. Ter controle werd er vaak alleen met de pleegouders gesproken. Kinderen die klaagden, werd een gebrek aan dankbaarheid verweten. Zo werd de pleeggezinopvoeding voor veel kinderen een verbanning naar liefdeloosheid, onveiligheid en regelrechte uitbuiting. En als er signalen kwamen over verwaarlozing, over mishandeling en seksueel misbruik dan werden die afgedaan als incidenten en uitzonderingen. ‘Ja, je zal het er wel naar gemaakt hebben.’
‘Ik kwam in een gehucht terecht…dat was een hel. Vanaf het moment dat ik door mijn pleegmoeder geslagen werd, heb ik altijd buikpijn gehad. Ik kwam regelmatig bij de huisarts en die zag de blauwe plekken, maar dan zei mijn pleegmoeder: ja, ze is zo onhandig, ze is zo stijf en ze valt overal vanaf… ja, iedereen slikte het maar. Ik liep altijd met angst, als je even er niet op bedacht was dan greep ie je vast. Je werd overal vastgepakt. Als ik het dan tegen de voogdes probeerde te zeggen dan was het van: ‘Nee hoor, er is hier niks aan de hand, je moet lief zijn, aardig zijn … en dankbaar.’

1100 kinderen in Neerbosch
In de zomer van 1893 verblijven er zo’n 1100 kinderen in de christelijke weesinrichting Neerbosch bij Nijmegen, geleid door het echtpaar Van ’t Lindenhout. Daarmee is dit gesticht veruit het grootste van het land. Een ouder, Gerard van Deth, en een voormalig medewerker Amos Job. van Houten, trekken aan de bel. In een brochure klagen ze de instelling aan voor wanbeheer, zelfverrijking, verwaarlozing, ondervoeding en mishandeling. Zo’n aanklacht is ongekend. De kwestie loopt hoog op en haalt de landelijke pers.
Met tegenzin besluit het weeshuisbestuur een onderzoek in te stellen. Daarin wordt de leiding nagenoeg vrijgepleit. Er zijn hooguit te veel kinderen, waarna het aantal snel terugloopt tot 500. Twee medewerkers die Van Deth’s kinderen zwaar mishandelden, worden door rechter veroordeeld tot een weinig opzienbarende boete van f 10,-. Van Deth zelf wordt bestraft wegens smaad.
Een paar jaar later, in 1900, staan opnieuw twee Neerbosch-werknemers voor de rechter wegens mishandeling die de dood van een pupil tot gevolg heeft. Ook deze keer oordeelt de rechter lankmoedig en kunnen de twee hun werk voortzetten. Driekwart eeuw later kwam het kinderdorp opnieuw in opspraak, toen tientallen verhalen loskwamen over seksueel misbruik van jongeren in de periode 1975-1985.
‘Ze zei tegen me dat ik een slecht meisje was, en dat God alles zag. Na de wandeling nam ze me mee naar haar kantoor. Ik moest op een stoel gaan zitten. Ze pakte een schaar en knipte mijn haar helemaal kort. Mijn trots werd bij elkaar geveegd en in een prullenbak gegooid. Daarna moest ik van haar in de spiegel kijken en tegen mezelf zeggen: ‘Ik ben lelijk.’ Niet één keer, maar heel vaak, achter elkaar. Vanaf dat moment heb ik dat, ja… ook zo gevoeld.’

Overleven zonder liefde
Aan het einde van de negentiende eeuw groeit de overtuiging dat kinderen bescherming verdienen tegen verwaarlozing van ouders en uitbuiting door werkgevers. De Kinderwetten uit 1905 zijn daar het gevolg van. Kinderen die op basis van deze wetten onttrokken worden aan het gezag van hun ouders krijgen een voogd toegewezen. Ze worden ondergebracht in pleeggezinnen of in heropvoedingsgestichten waarvan het aantal als gevolg van rijksfinanciering snel groeit.
Eenmaal weg bij hun ouders was van bescherming vaak weinig te merken. Kinderen moesten hun plaats weten, de regels waren strak en tegenspraak was uit den boze. In pleeggezinnen was het niet veel beter, in nogal wat boerengezinnen werden kinderen ingezet als goedkope arbeidskrachten.
Internaat-medewerkers werden slecht betaald, waren niet opgeleid en stelden zich in lastige situaties op als strenge cipiers die er vooral op gericht waren om met harde hand de orde te handhaven. Voogden lieten dat op zijn beloop - of ze wisten het niet, of ze wilden het niet weten of ze waren het ermee eens.
Ontdaan van hun ouders, overgeleverd aan ongevoelige ordebewakers of calculerende pleegouders, behandeld als ‘slechte’ kinderen, hebben velen hun jeugdjaren doorgebracht met het gevoel dat zij alleen op de wereld waren. Zij moesten zien te overleven in een wereld waar voor liefde geen plaats was. De wetten die bescherming hadden moeten bieden brachten voor vele duizenden kinderen levenslange ontreddering.
‘Ik ben echt wel heel vaak opgesloten in een isoleercel. Ik werd er niet lang in geplaatst, meestal niet langer dan een nacht of een paar uur, maar ik werd er wel elke dag in geplaatst. Het kon om van alles zijn en het is heel beangstigend want als jij iets verkeerds doet of zij vinden dat je iets verkeerds doet, wordt er op een alarm gedrukt en dan komen er acht, negen, tien hulpverleners vanaf alle groepen om jou vast te pakken. Dan word je de lange weg naar de isoleercel over de gang heen gesleept en dan word je uitgekleed in de isoleercel en alleen achtergelaten. Ik werd letterlijk afgezonderd van de rest van de wereld: ik mocht geen contact hebben met mijn ouders of met jongeren op de groep. Dus ik heb me wel echt extreem eenzaam gevoeld.’

Bij de nonnen
Ten minste 15.000 meisjes en vrouwen hebben in Nederland tussen 1860 en 1973 in wasserijen en grote naaizalen van katholieke gestichten onbetaalde dwangarbeid gedaan. De meisjes werden er geplaatst door voogdij-instellingen na beschuldigingen van zedeloos gedrag of als ze als lastig te boek stonden en nergens anders meer terecht konden. Het waren gebouwen achter tralies; gerund door nonnen, die er vaak een meedogenloos regime op nahielden.
De meisjes en vrouwen werden bij wijze van boetedoening en heropvoeding te werk gesteld. Ze kregen een nieuwe naam, werden gedwongen elke dag, behalve zondag, te werken, waarbij praten verboden was. ‘Opstandige’ meisjes werden met medicatie rustig gehouden. Wie erin slaagde om te ontsnappen, werd opgespoord en teruggebracht door de politie. De opdrachten kwamen van textielfabrieken, confectiebedrijven, hotels, ziekenhuizen, particulieren, de kerk en de overheid. Het geld kwam ten goede aan congregaties, als ‘Zusters van de Goede Herder’, met gestichten in Tilburg, Zouterwoude, Almelo en Velp. De kinderen zagen er niets van.
Kritische geluiden hierover waren er al in de jaren dertig. Nagenoeg iedere betrokkene wist wat zich in de gestichten afspeelde. Toeleveranciers, afnemers, ambtenaren, artsen en ook voogden en voogdessen die de meisjes hadden moeten beschermen – vrijwel iedereen sloot zijn ogen. Daardoor voltrok zich decennialang kinder- en dwangarbeid onder omstandigheden die buiten de muren allang als onacceptabel werden beschouwd.
‘Mijn zussen en ik kwamen voor elkaar op. Dat werd in de kiem gesmoord. Je werd dan meteen uit de groep gehaald en meegesleurd. De non beende de trappen op en af en sleurde je naar de zolder. Daar werd je naakt achter gelaten. Ze deed de deur op slot en je had geen idee wanneer en of je wel werd opgehaald. Het kwam regelmatig voor dat de non niet wegging, maar je betastte. Daar kon je echt niks tegen doen. Ik verstijfde gewoon.‘

Vijftigduizend kinderen roepen om hulp!
De Tweede Wereldoorlog liet een ravage achter in de toch al mager toegeruste kinderbescherming: tehuizen waren door de Duitsers in beslag genomen, kinderen waren elders ondergebracht, sommigen zelfs naar Duitsland gedeporteerd. De overgebleven tehuizen waren overbezet en de bevrijding had daar geen verandering in gebracht. Vijftigduizend kinderen roepen om hulp! luidde de titel van een manifest dat een aantal hervormers in 1946 publiceerde. Niet doorgaan op oude voet, verander het nu, was hun boodschap.
Hun pogingen om de jeugdzorg te vernieuwen liepen echter stuk op de geslotenheid van het systeem. Moderne en wetenschappelijke inzichten over opvoeden werden halsstarrig buiten de deur gehouden. De hoofden van de tehuizen werden vooral aangesteld op basis van hun visie op orde en tucht en werden in hun gezagsuitoefening niet gehinderd door enig pedagogisch inzicht. Het personeel, veelal totaal ongeschoold, keek neer op de kinderen en behandelde ze als zodanig.
Kinderbeschermingskinderen hadden in het herstel van Nederland geen enkele prioriteit. Het zou nog een halve eeuw duren voordat het ongekende leed van de naoorlogse jeugdhulp naar buiten zou treden.
‘Het was begin zeventiger jaren. Uit die generatie kom ik. De Dreef kreeg net wat mensen van buitenaf, ik noemde ze afgekeurde mariniers. Die waren zo agressief, die sloegen je regelmatig in elkaar. Daar kon je niks aan doen. Ik heb op een gegeven moment met mijn kop tegen de muur geslagen. Het onrecht. Je kan niks doen, je bent gewoon een nummertje. Je bent minderjarig en je kan niks maken.’

Bressen in een gesloten bastion
Op 16 mei 1971 werd de Belangenvereniging Minderjarigen, afgekort als BM, opgericht. De BM bestond uit jongeren die in tehuizen woonden, uit ex-bewoners en jongeren van buitenaf. De BM-activisten meldden zich aan de poort van tehuizen en protesteerden tegen machtsmisbruik, ze eisten inspraak en meer zakgeld. De BM heeft als eerste in 1974 de Heldringstichting in Zetten aan de schandpaal genageld vanwege machtsmisbruik en het gebruik van isoleercellen, onrustbanden, gedwongen medicatie en koude douches.
De BM, met afdelingen door het hele land, maakte samen met alternatieve organisaties als JAC en Release met haar acties en zwartboeken aan een groter publiek duidelijk wat er allemaal in de kinderbescherming mis was. Voor het eerst waren jongeren zelf aan het woord. Ze eisten inspraak in het beleid en in de tehuizen, ze wilden recht op inzage in de dossiers en verzetten zich met bezettingsacties van tehuizen tegen de willekeurige toepassing van strafmaatregelen en ander geweld. Er volgde een reeks van bezettingen, zelfs de kamer van een staatssecretaris werd korte tijd door de BM bezet.
Aanvankelijk weigerden de directies van de tehuizen en de ambtenaren van het ministerie elk gesprek, maar onder druk van de publieke opinie en door aanhoudende kritiek moesten ze – zij het met zichtbare tegenzin - hun houding veranderen. Zo sloeg de Belangenvereniging Minderjarigen de eerste bressen in het gesloten kinderbeschermingsbastion.
‘Vanwege mijn visuele beperking woonde ik doordeweeks in een internaat. Hier kreeg je les om met een taststok te leren lopen. De stokloopleraar was een hele vieze man, die als hij iets uitlegde zogenaamd per ongeluk mijn kruis of borsten aanraakte. Ik diende een klacht in maar dit werd weggewuifd. Het ging van kwaad tot erger en uiteindelijk heeft die leraar mij verkracht. Toen ik dit aan de directrice vertelde, werd ze boos en zei ze dat ik loog, dat ik mijn ‘ruzie’ met de leraar op de spits wilde drijven. Mijn ouders geloofden mij wel en haalden mij naar huis, maar die man heeft daar nog jaren gewerkt.’

Onder de noemer van behandeling
Vanaf de jaren zeventig ontpopte zich in de instellingen en kindertehuizen een nieuw soort gedachtengoed. Het oude was gebaseerd op dwang en straf; de nieuwe tijdsgeest benadrukte dat kinderen geholpen moesten worden. Er vond een machtswisseling plaats van een autoritaire manier van doen naar begripvolle begeleiders die therapeutische omgangsvormen introduceerden die nogal eens grenzeloos bleken te zijn.
In de geest van de nieuwe ruimdenkendheid en seksuele bevrijding werden intimiteit en lichamelijkheid niet langer geschuwd, maar nogal eens onderdeel van de behandeling. Door ervaringen in deze sfeer ‘bespreekbaar’ te maken en zo nodig her te beleven, zouden jeugdtrauma’s en het gebrek aan liefde in de opvoeding overwonnen kunnen worden. Er was in de jaren tachtig zelfs een kinderrechter die meende dat het op zijn weg lag om jongeren met seksualiteit te leren omgaan. Dat alles moest zich wel binnenskamers voltrekken en mocht vooral niet aan de grote klok gehangen worden.
Latere onderzoeken hebben honderden verhalen aan het licht gebracht over subtiel en soms onverholen machtsmisbruik onder de noemer van opvang, behandeling en therapie. Het zijn schrijnende, traumatische verhalen van kinderen die zich niet konden verweren, omdat ze als “kind met problemen” toch niet geloofd werden. En daarom lange tijd, soms levenslang, over wat hen is overkomen nooit iets hebben verteld.
‘Hij betastte me overal, mijn borsten, tussen mijn benen. Soms drukte hij me in een soort houdgreep tegen zich aan en dan moest ik proberen mezelf los te maken. Dat zou bevrijdend werken. Het was afschuwelijk. Ik wist niet wat ik moest doen.'

Deksel van de beerput?
Ook na de komst van psychiaters en gedragsdeskundigen konden dwarsliggende jongeren in jeugdhulpinstellingen op weinig begrip rekenen. De kroon spande de Heldring-inrichting in Zetten, met psychiater Finkensieper aan het hoofd. Begin jaren zeventig experimenteerde hij met kinderen die ‘hinderlijk, conflictoproepend, ontregelend gedrag’ vertoonden door hen een zwaar rustgevend middel tegen schizofrenie toe te dienen.
In 1974 bracht de BM een zwartboek uit over de instelling, vol met verhalen over isoleren, platspuiten en koude douches. Het mocht allemaal niet baten. Pas toen in 1989 twintig meisjes en een jongen aangifte tegen hem deden wegens seksueel misbruik viel voor hem het doek. Nadat sympathisanten, verenigd in het Steunpunt Zetten, wekenlang actie hadden gevoerd, veroordeelde de rechter Finkensieper in mei 1990 tot zes jaar gevangenis.
De affaire-Finkensieper bleek het topje van een ijsberg. Door de publiciteit kwamen er steeds meer dramatische verhalen los over het onrecht en misbruik dat jongeren gedurende decennia vooral binnen gesloten jeugdzorginstellingen was aangedaan. Even leek het erop alsof er een deksel van een beerput was geschoven. Dat viel bitter tegen. De jeugdhulp toonde zich niet bepaald zelfkritisch en sloot de gelederen. Daarom duurde het nog twintig jaar voordat de waarheid over seksueel misbruik en geweld in de volle omgang aan het licht kwam.
‘Geweld op jonge leeftijd, en vooral weerloosheid daartegen, dat heeft, en dat weten we uit de internationale vakliteratuur, een enorme impact op de levens van kinderen. Dat hebben we als commissie ook onderzocht: we hebben aan de mensen gevraagd die dit hebben meegemaakt wat heeft dit nu voor effect gehad op je latere leven. En dan zie je dat mensen op alle mogelijke levensterreinen problemen hebben: gezondheidsproblemen, lichamelijk maar ook psychisch, problemen in hun sociale leven, in relaties, problemen bij het opvoeden van hun kinderen, ja, het heeft een enorme impact.’
Geweld is altijd aanwezig geweest
De rapporten van de commissie-Samson (2012) en de commissie-Deetman (2013) confronteerden ons land met de schokkende feiten dat seksueel misbruik in de jeugdzorg en op internaten op een veel grotere schaal voorkwam dan tot op dat moment voor mogelijk was gehouden. Het rapport van de commissie-De Winter kwam in 2019 tot een snoeihard eindoordeel: het toepassen van geweld is altijd aanwezig geweest in de jeugdzorg. Was het geen fysiek geweld, dan was het wel psychisch of seksueel geweld.
Van de 200.000 kinderen die sinds de Tweede Wereldoorlog onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in pleeggezinnen en jeugdhulp instellingen, heeft driekwart geweld meegemaakt en is tien procent et herhaald, langdurig en heftig geweld geconfronteerd. Het fysieke geweld nam in de loop van de tijd af, maar het psychische geweld niet. Het geweld werd gepleegd door leiders, pleegouders en andere kinderen.
Seksueel misbruik, dwangarbeid, isolatie, vernederingen, verwaarlozing, eenzaamheid - het dramatische daarvan was niet alleen het geweld zelf, maar ook dat het plaatsvond in een omgeving die veiligheid en warmte had moeten bieden. Kinderen hebben zich niet gehoord en gezien gevoeld, hebben zich niet veilig kunnen voelen en konden nergens terecht. Dit geweld heeft vele duizenden levens langdurig verwoest. De kinderen werden onvoldoende beschermd; gebrekkig overheidstoezicht was daarvan een van de oorzaken.
Tekst en samenstelling
Jos van der Lans / Canon sociaal werk
Illustraties
Eva Hofmans
In opdracht van
Stichting Nationaal Monument Geweld Jeugdzorg
Verantwoording bronnen
Achtergrond informatie monument De Erkenning
Deze beschrijving in tien episodes van de geschiedenis van geweld in de jeugdzorg is geschreven en samengesteld door cultuurpsycholoog en publicist Jos van der Lans, tevens eindredacteur van de Canon sociaal werk en samensteller van de Canon zorg voor de jeugd. Hij schreef in 2016 in opdracht van de Commissie Vooronderzoek naar geweld in de jeugdzorg het essay: Met geweld opvoeden. Waarom de zorg voor verwaarloosde kinderen zo lang verwaarloosd werd. Dit essay vormde de basis voor de teksten van de tien episodes.
Het eindrapport van de commissie-De Winter is te raadplegen via deze link: Onvoldoende beschermd - Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden
Het citaat van Micha de Winter is geknipt uit een interview bij Nieuwsuur op woensdag 12 juni 2019, de dag dat het eindrapport werd aangeboden aan de regering.
Episode 1: Weeshuizen en gestichten
Zie de Canon zorg voor de jeugd en het specifieke venster: 1846: Het Sint Aloysiusgesticht Redden en opvoeden van verwaarloosde jeugd.
Het citaat is afkomstig uit het rapport: Onvoldoende beschermd, p. 30.
Episode 2: Gezinsopvoeding en pleegzorg
Zie in de Canon zorg voor de jeugd het venster: 1874 Maatschappij tot Opvoeding van Weezen in het Huisgezin. Het ontstaan van de georganiseerde pleegzorg
De getuigenis is van Wil Vissers en is overgenomen uit de Nieuwsuur-reportage van 12 juni 2019, te raadplegen via YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=edr5UaU2t2Y
Episode 3: Eerste publieke schandaal
Zie in de Canon zorg voor de jeugd het venster: 1893 De kwestie-Neerbosch. Eerste mediahype in de jeugdzorg.
Citaat uit: Daniëlle Hermans & Esther Verhoeff (2014), Stil in mij. Overleven bij de nonnen, p. 75.
Episode 4: Kinderwetten
Zie in de Canon zorg voor de jeugd het venster: 1905 Kinderwetten. Basis voor de kinderbescherming en het jeugdstrafrecht
Getuigenis is van Jason Bhugwandass en in 2019 opgetekend door Omroep Gelderland (‘Gesloten jeugdzorg: Harreveld was heel eenzaam’) en te zien op YouTube.
Episode 5: Dwangarbeid en vrijheidsberoving
22 mei 2018 publiceerde het NRC een uitgebreide reportage met als kop: 15000 vrouwen werkten onder dwang. Tussen 1860 en 1979 werden meisjes en jonge vrouwen tewerkgesteld in de kloosters van de Zusters van de Goede Herder. Zie ook het NRC-dossier over deze kwestie op de website van de Canon sociaal werk. Zie tevens de documentaire Meisjes van de goede herder van Britta Hosman uit 2024.
Citaat uit: Daniëlle Hermans & Esther Verhoeff (2014), Stil in mij. Overleven bij de nonnen. Zie ook episode 3.
Episode 6: Wederopbouw
Zie: “Deel I: De doorbraak die uitbleef’, in: Jos van der Lans (2016), Met geweld opvoeden, a.w., pp. 15-28.
De getuigenis is van Peter Bosse en overgenomen uit een reportage van Omroep Gelderland die op 9 september 2021 werd uitgezonden. Precies dertig jaar nadat wantoestanden in jeugdinstelling De Dreef in Wapenveld naar buiten waren getreden. Twee mannen, waaronder Peter Bosse, doen in de reportage hun verhaal. Zie: YouTube.
Episode 7: Belangenvereniging Minderjarigen
Zie in de Canon zorg voor de jeugd het venster: 1971 Belangenvereniging Minderjarigen. Breekijzer van de gesloten Kinderbescherming.
Getuigenis is uit de jaren tachtig. Bron: Onvoldoende beschermd, p.31.
Episode 8: De macht van therapeuten en begeleiders
Zie: “Deel III: De verandering die moeizaam haar weg vond’, in: Jos van der Lans (2016), Met geweld opvoeden, a.w., pp. 55-58.
Over de kinderrechter schreef Yvonne Keuls in 1985 het op waarheid gebaseerde boek: Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel.
Citaat afkomstig uit reportage in de Volkskrant, 10 februari 2011: Misbruik jeugdzorg bleef lang verzwegen 'Ik dacht: wat heb jij me verraden'
Episode 9: Isoleren, platspuiten en seksueel misbruik
Zie in de Canon zorg voor de jeugd het venster: 1990 – Finkensieper en Steunpunt Zetten
Seksueel misbruik lang weggestopt. Over het toedienen van psychofarmaca en experimenten met kinderen zie: https://www.socialevraagstukken.nl/experimenten-met-psychofarma-in-de-jeugdzorg-waren-in-nederland-heel-gewoon/, d.d. 10 augustus 2018.
Het citaat van Micha de Winter over de impact van de confrontatie met geweld is overgenomen uit een interview bij Nieuwsuur op woensdag 12 juni 2019, de dag dat het eindrapport werd aangeboden aan de regering.
Episode 10: Snoeihard eindoordeel
Het eindrapport van de commissie-De Winter is te raadplegen via deze link: Onvoldoende beschermd - Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden
