Image

Initiatiefgroep / Document Geweld in de Jeugdzorg

De eerste aanbeveling van de commissie de Winter is het “Erkenning bieden aan slachtoffers van geweld in de jeugdzorg”’.

Op 31 augustus 2019 is de Initiatiefgroep Monument Geweld in de Jeugdzorg opgericht met als doel initiatieven te ontwikkelen om het oprichten van het Monument te realiseren. Zo heeft de Initiatiefgroep de Stichting opgericht en is ze een Facebookgroep gestart, te bereiken op:

https://www.facebook.com/groups/2411198235582678

Ook wil de Initiatiefgroep betrokken zijn bij gesprekken over andere vormen van erkenning en permanente aandacht generen voor het huidige geweld in de jeugdzorg en voor het voorkomen van geweld in de jeugdzorg.

Een aantal leden van de Initiatiefgroep hebben een tehuisverleden, zijn ex pupil geweest van de kinderbescherming en/of hebben meegedaan aan acties van de Belangvereniging Minderjarigen (BM) en het Steunpunt Zetten. De BM was vanaf 1971 de vakbond voor bewoners van kinderhuizen en kwam in verzet tegen de vele misstanden in de tehuizen met bezettingen, zwartboeken en andere acties. Het Steunpunt Zetten heeft in 1990, samen met de meiden van Zetten, er voor gezorgd dat psychiater Finkensieper wegens seksueel misbruik, 6 jaar gevangenisstraf kreeg.

De leden van de Initiatiefgroep kennen elkaar ook als vrienden van Huib Winkel, die in maart 2019 helaas door een ongeval is overleden. Huib groeide op in tehuizen en maakte daar veel geweld mee. Hij is jarenlang actief geweest in de BM en was de oprichter van het Steunpunt Zetten. De leden van Initiatiefgroep zijn, in alfabetische volgorde: Anna, Boendy, Djoey, Hans, Huig, Jasper, Judith, Kim, Leroy en Naomi.

De Initiatiefgroep heeft, met behulp van Jos van der Lans, het Document Geweld in de Jeugdzorg geschreven. Te downloaden op:

Document Monument Geweld in de Jeugdzorg-versie-1.0

Waarom een Monument Geweld in de Jeugdzorg?

Achtergronden en beweegredenen

Er is de afgelopen twee decennia een niet aflatende stroom van verhalen op gang gekomen over misstanden in de wereld van de kinderbescherming en jeugdzorg, niet alleen in Nederland, maar eigenlijk in alle westerse landen. De rapporten van de commissie-Samsom (2012) en –Deetman (2013) confronteerden ons land met de schokkende feiten dat seksueel misbruik in de jeugdzorg op een aanmerkelijk grotere schaal voorkwam dan dat ingewijden van de jeugdzorg tot op dat moment voor mogelijk hadden gehouden. Daarmee kwam de deksel van de doofpot en in juni 2019 velde de commissie-De Winter een snoeihard eindoordeel: het toepassen van geweld is eigenlijk nooit weggeweest uit de jeugdzorg. Was het geen fysiek geweld en/of seksueel misbruik, dan was het wel psychisch of onderling geweld, waar geen rem op stond.

Van de 200.000 kinderen die sinds de Tweede Wereldoorlog naar schatting onder het beschermingsbewind van de overheid zijn gebracht heeft 10 procent vaak tot zeer vaak geweld mee gemaakt, slechts een kwart meldt nooit met geweld geconfronteerd te zijn. Dat is een trackrecord die tot langdurige bescheidenheid zou moeten leiden. Het gaat om tienduizenden kinderen wiens levens getekend zijn door traumatische ervaringen. Zij hebben een groot deel van hun jeugd in angst doorgebracht. Opgroeien onder de voortdurende dreiging van gestraft te worden (overplaatsing, geen ouders mogen zien, zakgeld inhouden, et cetera) heeft diepe sporen nagelaten. Kinderen die voor het aanzicht van de hele groep hun natte onderbroek in de mond gepropt krijgen om zo het bedplassen af te leren. Of met de riem afgeranseld werden elke dag dat het weer gebeurde. Dan wel buiten moesten staan met het laken totdat het droog was. Kinderen bij wie het eten in de mond werd gepropt als zij hun bord niet leegaten, ook als het eten zichtbaar bedorven was. Kinderen die langdurig geïsoleerd werden of volgepropt met medicatie die hen rustig kon houden. Klappen, vernedering, opsluiting, drogering, verwaarlozing. Het dramatische daarvan was vaak niet eens het fysieke geweld zelf, maar het feit dat de kinderen op geen enkele manier ergens gehoor kregen, dat hen een eigen identiteit werd misgund en dat ze in een omgeving die hen veiligheid en warmte had moeten bieden – en waar ze veelal terecht gekomen waren omdat anderen hadden beoordeeld dat hun thuismilieu dat niet kon bieden – dat ze daar op zichzelf, in eenzaamheid werden teruggeworpen en niemand meer hadden.

Dat gegeven heeft vele levens langdurig verwoest, te veel ex-tehuisbewoners hebben zelfmoord gepleegd – over dit alles kan en mag niet langer laatdunkend gesproken worden.

Eindelijk erkenning

Terecht constateert de commissie-De Winter in haar eerste aanbeveling dat de mensen die door dit geweld getroffen zijn eindelijk erkenning moeten krijgen. Te lang hebben overheid en jeugdzorginstellingen de andere kant opgekeken, het leed niet willen zien dan wel gebagatelliseerd of in de schoenen geschoven van ‘lastige’ en ‘problematische’ kinderen. Daar is met dit rapport definitief een einde aangekomen. Deze kinderen zijn in de steek gelaten, de overheid en de jeugdbeschermingssector hebben gefaald en staan bij ze in het krijt.

De indringende vraag is nu hoe deze erkenning vorm gegeven wordt. Het aanbieden van excuses, zoals de brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland en de regering direct na het verschijnen van het rapport van de commissie-De Winter hebben gedaan, heeft iets gemakzuchtigs. In de huidige sorry-democratie is het verworden tot een krachteloos symbolisch gebaar. Ook het financieel compenseren van het leed, waar de overheid wel wat ruimhartiger mee om zou mogen gaan, houdt iets onbevredigends. Het knipt een langdurige institutionele geschiedenis in individuele stukjes afgekochte troost, uitgedrukt in euro’s. Dat kan en mag niet als afdoende worden gekenmerkt. De geschiedenis is te heftig, te indringend en verwoestend geweest om op deze manier af te doen. Er is meer nodig.

Daarom pleiten wij dat er Monument Geweld in de Jeugdzorg komt. Een tastbare vorm, waarin de geschiedenis van geweld niet op een vluchtige, symbolische wijze wordt afgedaan, maar een vaste, materiële plek krijgt. Een plek waar mensen bij stil kunnen staan, niet alleen om de slachtoffers van het geweld te herdenken, maar vooral om te voorkomen dat er nieuwe generaties kwetsbare jongeren met nieuwe vormen van geweld worden geconfronteerd. Want de stokslagen uit de jaren vijftig, het seksuele misbruik, de afgedwongen drogering en isoleercellen uit de jaren zeventig en het psychisch geweld uit de jaren tachtig en negentig zijn inmiddels vervangen door nieuwe vormen van verwaarlozing van jongeren die aan zorg zijn overgeleverd.

Onterechte internering, ondermaatse begeleiding door personeelstekorten of steeds wisselende hulpverleners, de jeugdzorg is en blijft een probleemkind van de overheid; een systeem dat als we niet opletten opnieuw diepe sporen zal nalaten in de levens van kinderen en jongeren die erop aangewezen zijn.

Onachtzaamheid bestrijden

Juist daarom willen wij een Monument Geweld in de Jeugdzorg realiseren. Om de onachtzaamheid te bestrijden en de alertheid te vergroten. En om jeugdzorg-jongeren een hart onder de riem te steken; velen zijn hun voorgegaan, velen hebben ellende meegemaakt, maar velen hebben zich er doorheen geworsteld. Hou vol, zet door, geef nooit op.

Wij menen dat we als initiatiefnemers recht van spreken hebben, want wij weten waar we het over hebben. Een aantal van ons was nauw betrokken bij de Belangenvereniging Minderjarigen, de BM, die vanaf 1971 als eerste en lange tijd als enige de wantoestanden in jeugdinrichtingen aan de kaak stelde. Wij maakten zwartboeken tegen isolatie, tegen verwaarlozing, tegen onmenselijke behandeling. Wij waren halverwege de jaren zeventig de eerste die de praktijken van Zettense psychiater Finkensieper aan de kaak stelden. We hebben inrichtingen bezet, actie gevoerd, petities overhandigd, Kamerleden op sleeptouw genomen.

Maar het duurde lang, verschrikkelijk lang voordat we gehoor vonden. De toenmalige brancheorganisatie deed er elf jaar over om ons als gesprekspartner te erkennen. Finkensieper mocht meer dan vijftien jaar zijn gewelddadige gang gaan, voordat na heftige acties door het Steunpunt Zetten en een reeks aanklachten van de dappere meiden van Zetten justitie er werk van maakte en hij zich voor de rechter moest verantwoorden. De BM heeft meer dan twintig jaar gestreden om een halt toe te roepen aan de praktijken waar de verschillende commissies pas twintig jaar later een vernietigend oordeel over durfden uit te spreken. Twintig jaar van onachtzaamheid, van bagatelliseren, van niet kunnen geloven en elkaar de hand boven het hoofd houden.

Halve eeuw strijd

Daarom zien wij een Monument Geweld in de Jeugdzorg als een afronding van bijna een halve eeuw strijd om erkenning, als een keerpunt in de geschiedenis die we een halve eeuw geleden zijn gaan schrijven. Het Monument Geweld in de Jeugdzorg verbeeldt het moment dat de levensloop van kinderen in de jeugdzorg niet langer in handen is van jongeren die in verzet treden of met veel moeite hun verhaal durven te doen, maar drukt uit dat hun levensloop een verantwoordelijkheid is van iedereen, van de instellingen, van de overheid, van de jongeren en hun verwanten. Een verantwoordelijkheid die nooit, geen moment mag verslappen, want dat is precies wat de geschiedenis heeft geleerd.

Daarom hebben we ook al een datum waarop het Monument wat ons betreft onthuld moet worden: 17 mei 2021. Precies vijftig jaar nadat de BM werd opgericht. Daar gaan we de komende tijd aan werken. Daarbij rekenen we op de steun van velen, niet in de laatste plaats in de sfeer van de jeugdzorg zelf en de rijksoverheid. Want excuses zijn niet voldoende. De geschiedenis vraagt om meer. De toekomst vraagt om meer.